dinsdag 24 mei 2011

Gedichten om te citeren

Eiland

Er zit iets verdrietigs in verdriet
alsof het alleen niet genoeg was.
Het is onder water roepen
om iets dat daar niet is.
Het schijnt te slijten, de tijd
schuift het wel weg.
'Rendieren sterven als gevolg van heimwee.
Heimwee naar de onbegrensde
vlakte van het Noorden.'
Niet dat ze op Öland niet
kunnen rennen, ze kunnen
alleen niet wennen aan het idee
dat alles aldoor uitloopt in die zee.

Judith Herzberg.

Ziekenbezoek

Mijn vader had een uur lang zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee, toch niet,
je moet het maar eens proberen.

Judith Herzberg

Jeldican en het woord

Over de heide
kroop Jeldican,
de staart tussenbeide
stomp vooraan.

Op gloeioren hing er een
belletjespet;
tussen twee vingeren
't zwaluwnet.

Japon aan het lijfke
van ruitestof,
blauwkousen van 't wijfke
en rinkelslof.

'Rood van den appel
in puntcipres,
peers van de pappel
te palfrines,

waar kan ik het vegen:
het fluit onder God,
het vliegt mijne wegen
fladderzot.

Kiekt het te hangen
aan bontekoord?
Hoe kan ik het vangen,
dat lieve woord' -

Iets klappert in 't warkruid,
goudbrem knikt,
het juichtpikt en hardfluit;
Jeldican schrikt.

Nooit had hij zo rijke
tralieten gehoord -
hij zát van het kijken:
was dit het woord?

Bonsbuikje laait met
gebed om geluk...
'jaaat' giert het graainet -
kippetjetuk!

O, veren te kussen!
Het woord aan zijn hart
tuitte intussen
nog ééns zo hard.

'O, schoon, o mijn heide,
pappelkes hoort!
Nooit kan ik meer scheiden
Heer, van dit woord.

Tja, nu naar het wijfke
als weduwenwind,
laat stormen het lijfke,
klapperend lint!'

Vol praat in zijn eentje
vloog Jeldican.
Koppeltje-beentje
daar kwam hij aan.

'Wijfke mijn toren,
hier is het woord!'
Zij zonder te horen,
sprak onverstoord:

'Aai, vogeltje vetbult,
nuttige zaak,
al dat het net vult
is muntemaak.'

Daar ging zij en ruilde
't voor wittebrood,
maar Jeldican huilde
en sloeg haar dood.

Leo Vroman (1915)

Willem Kloos

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht

de witte bloesems in de scheemring, — ziet,

hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,

een enkele, al te late vogel vliedt.


En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht

als perlemoer, waar iedere tint vervliet

in teêrheid… Rust — o, wonder-vreemd genucht !

want alles is bij dag zóó innig niet.


Alle geluid, dat nog van verre sprak,

verstierf — de wind, de wolken, alles gaat

al zacht en zachter — alles wordt zoo stil…


En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,

dat al zóó moe is, altijd luider slaat,

altijd maar luider en niet rusten wil.


Van de Zee

Aan Frederik van Eeden

De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining,

De Zee, waarin mijn Ziel zichzelf weerspiegeld ziet;

De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,

Zij is een levend schoon en kent zichzelve niet.


Zij wist zichzelven af in eeuwige verreining,

En wendt zich altijd òm en keert weer waar zij vliedt,

Zij drukt zichzelven uit in duizenderlij lijning,

En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.


O, Zee was Ik als Gij in àl uw onbewustheid,

Dàn zou ik eerst gehéél en gróót gelukkig zijn;

Dán had ik eerst geen lust naar menselijke belustheid


Op menselijke vreugd en menselijke pijn;

Dan wàs mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid

Zou, wijl Zij groter is dan Gij, nóg groter zijn

Willem Kloos (1859 - 1938)
==

Lethe
‘Hoe over 't brandend blind bazalt
Vind ik den weg naar Lethe? -
O alles te vergeten
Eer de avond valt!
Ik weet dat dood en donker komen
Als dit schel daglicht is gebluscht,
Maar ik wil diepe klare rust
En zonder droomen.
Voor wie als ik van kind tot knaap,
Van man tot grijsaard derven,
Voor die is dood en sterven
Maar verontruste slaap...
De zoete macht tot lach of traan
Gaf mij en nam mij 't leven.
Alleen mijn oogen bleven
Kijken, mijn voeten gaan.
Hoe vaak sindsdien waar 'k zat en ging,
Is langs mijn wakende oogen
De lange trein getogen
Van aller lust herinnering.
Wat moet ik aldoor zien wat 'k weet?
Al 't reddeloos volbrachte,
Al 't reddeloos gedachte:
Gelijk is wat ik liet en deed!
O eer de dood mijn leden bind'
En hen voor eeuwig bedde, -
Wat zal mijn oogen redden
Van dezen droom die immer nieuw begint?:


O blanke ziel, o roode bloed,
O hart verdwaald daartusschen, -
Wie zal in slaap u sussen
Tezamen en voorgoed?
Mijn voet kan vóor den avondval
Nog vele mijlen reizen,
Wil éen den weg mij wijzen
Naar Lethes dal.
Wie over 't brandend blind bazalt
Brengt mij naar Lethe? -
O alles te vergeten
Eer de avond valt!’

-
Goedemorgen, hemelse mevrouw Ping

is U de zachte nacht bevallen, hebben de on-

deugende, geheimzinnige planten naar behoren

gegeurd en zijn hopelijk geen van uw overige

zuigelingen aan de builenpest bezweken?

Hebt U de interessante nerveuze godvruchtige

vogeltjes, vrome goedertierende mevrouw, al wel

bekeken, druk telefonerend van: hallo, met piet

kom je op mijn tak - o de sierlijke levendige

vogels, allemaal allemaal voor de brave poes,

die veelbeproefde droevige moeder. Ja verdomd,

deze ziekte, lieve beklagenswaardige mevrouw,

is een wrede rakker en zoveel is wel duidelijk:

er valt niet tegenop te baren, waar zelfs het

begrafeniswezen, die intieme huisgenoot, die

zeer bekende schenker ook van lauwe melk,

op zijn verlengde achterpoten het ter

aarde bestellen welhaast niet meer bij kan

benen, nietwaar, dame Ping, radarbesnorde,

dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin?

Het is nu beter te zitten zonder weemoed in

de rauwe geurige ochtendlucht, nu de zon nog

teder is en de gordijnen levendig in de goede

vrolijke wind. O halmstaartige voortreffelijke,

kijk, zwijgzame zwakzinnige allerliefste,

er loopt een belangwekkend, héél klein maar

bijzonder lekker beestje tussen de kiezelstenen

onder de hemelsblauwe hortensia

(Aan mijn neerslachtige poes, ter vertroosting bij het overlijden van zijn gebroed)

F. Harmsen van Beek, 1927
-
Liefdeslied

Als je het gezang van een walvis

in de lente, veertien maal versnelt

hoor je een lieflijke vogel.

Bij normale snelheid klinkt

zijn liefdeslied zoals je nooit hoorde

droevig en gelukkig tegelijk.

Elke week veranderen de vissen

een kleinigheid en de volgende lente

zingen ze een totaal nieuw lied.

Mensen vingen het geluid onder water

weerkaatst door onderzeese bergen.

Zij hesen het omhoog en legden het vast

op een slap plastic plaatje dat ik vond

in een tweedehands boek.

Het was oud en de naald ruiste

maar ik hoorde het gezang

van verliefde reuzen

tussen biologisch commentaar.

Ook stuurden ze de klanken

die eeuwen diep in de zeeën

hadden geklonken hoog in de ruimte
.
Over honderdduizend jaar vindt

een intelligente krekel de platina plaat.

Hij zoekt de sleutel en verstaat het

in zijn eigen digitale taal.

Hij wordt verliefd op een walvis

verdwenen in ruimte en tijd.


== -
Aan Mei

Roerloos loof, windstil en doof

taal gelaten in de schaduw

van wat komen gaat.


Waar we vandaan komen.

Je ziet het: nu tintelt

ons hart nog zomerrood.


Je buigt je over naar

de spiegeling in het water

komen de stralen, donker.

1
't Was na de middag. Van het woud

ging uit een koele adem van bomen

waar zij doorheen liep met een lach.

Zij ging en liep doelloos voort

tot zij stil hield op een open plek

en met eigen ogen zag hoe het licht

zijn domein gevonden had

in zeldzaam schijnen op een plas

hoe het weerkaatste naar de lucht

en hoe de bomen weken voor water

voor haar lach die opklonk

in de ruimte waar niemand haar hoorde.

2
Zij wist niet dat ze ergens was

wel waren haar ogen open

zag ze om haar heen een bewegen

van mensen en geschitter van feest

maar voor haar was het leeg.

Zij luisterde naar zijn stem

terwijl ze danste en dronk

en praatte met wie om haar waren.

Of hij nu kwam en de deur

bewoog, wie haar kuste of streelde

zij wist niet dat ze ergens was

wel waren haar ogen open.

3
Zie, ik sta op de drempel, hij lacht

staat als een man op brandaarde

te wachten op wie hem zoekt

tussen verkoolde stammen en sterren.


En ik kan niet aan hem raken

blijf in het groen en tussen bloemen

verlangen naar zijn zwijgen

tot hij bij mij komt, mij komt halen.


Maar als de avond gevallen is

loop ik terug in het huis

ga eenzaam liggen en val

weg in dromend slapen, in nacht.


4
Hoog in de lucht een gezoef

en geknars van vleugels

halsstarrig op weg, de bekken

gesloten, de ogen op felheid gezet.


Ik lig in bed en denk je gaat

weg van hier, winter komt

en vindt me hier, alleen gelaten

zonder sporen, in vallende sneeuw.


Als ik je niet meer zie

zie ik je nooit meer, je bent

dood, ik hoef niet te luisteren

niet te zoeken naar je gezicht.

Ze kwam uit de duinen:

herinnering van wat ik was

gedoken onder harde wind

zand en zout tussen mijn tanden.


De jongen die daar speelde

en geloofde in zomerse buien.

Hij liet zijn vlieger dansen

trok ongeduldig aan het touw.


Haalde hem met schokken binnen

tot de kleur in het harde zand

een lijn trok naar hem toe

tot dat hij stil lag en gedood.
=

HET STOCKSKE VAN JOAN VAN OLDENBARNEVELT, VADER DES VADERLANTS
Myn wensch behoede u onverrot,

O STOCK en stut, die, geen' verrader,

Maer 's vrydoms stut en Hollants Vader

Gestut hebt op dat wreet schavot;

Toen hy voor't bloedigh zwaert most knielen,

Veroordeelt, als een Seneka,

Door Neroos haet en ongena,

Tot droefenis der braefste zielen.

Ghy zult noch, jaeren achter een,

Den uitgangk van dien Helt getuigen,

En hoe Gewelt het Recht dorf buigen,

Tot smaet der onderdruckte steên.

Hoe dickwyl streckt ghy onder 't stappen

Naer 't hof der Staeten stadigh aen

Hem voor een derden voet in 't gaen

En klimmen, op de hooge trappen:

Als hy, belast van ouderdom

Papier en schriften, overleende,

En onder 't lastigh lantspack steende!

Wie ging, zoo krom gebuckt, noit krom!

Ghy ruste van uw trouwe plichten,

Na 'et rusten van dien ouden stock,

Geknot door 's bloetraets bittren wrock:

Nu stut en styft ghy noch myn dichten.

==

‘Had hy Hollant dan gedragen
Onder 't hart,
Tot sijn af-geleefde dagen
Met veel smart, -
Om 't meyneedigh swaert te laven
Met sijn bloet
En te mesten kray en raven
Op sijn goet?


Maer waeróm den hals gekorven?
Want sijn bloet
Was in d'aders schier verstorven:
In sijn goet
Vondt men noyt de Pistoletten
Van 't verraet, -
Uytgestroyt om scharp te wetten
's Vollecx haet.
Gierigheyt en wreetheyt beyde,
Die het swaert
Grimmigh ruckten uyt der scheyde,
Nu bedaert
Suchten: ‘Wat kan ons vernoegen
Goet en bloet?
Och, hoe knaegt een eeuwigh wroegen
Ons gemoet!’
Weest te vreen, haelt Predikanten
West en Oost!
Gaet en soekt bij Dortsche santen
Heyl en troost;
't Is vergeefs; de Heer koomt kloppen
Met zijn Woort.
Niemant kan de wellen stoppen
Van die Moort.
Spiegelt, spiegelt u dan echter,
Wie ghy zijt:
Vreest den worm, die desen Rechter
't Hart af-bijt.
Schent' uw' handen aen geen Vaders,
Dol van haet.
Scheldt geen Vromen voor verraders
Van den staet.’

==
November

Het regent en het is november

Weer keert het najaar en belaagt

Het hart, dat droef, maar steeds gewender,

Zijn heimelijke pijnen draagt.


En in de kamer, waar gelaten

Het daaglijks leven wordt verricht,

schijnt uit de troosteloze straten

Een ongekleurd namiddaglicht.


De jaren gaan zoals zij gingen,

Er is alengs geen onderscheid

Meer tussen dove erinneringen

En wat geleefd wordt en verbeid.


Verloren zijn de prille wegen

Om te ontkomen aan de tijd;

Altijd november, altijd regen,

Altijd dit lege hart, altijd.

==

Zo helder is het werkelijk zelden, men ziet

het riet wit voor de verte staan

iemand klopt aan, vraagt water, het is

een verdwaalde jager

het antwoord is drinkbaar, zijn kromme weg

uitlegbaar in taal

in zijn weitas een bloedplas, het water

verspreekt zich al pratend in wijn

kijk, zegt hij, omstreeks het riet wijzend bij wijze

van afscheid, dit is een rouwmantel

later staat zijn glas daar nog, men ziet

het riet en eet wat -

Uit: Gerrit Kouwenaar: Helder maar grijzer: gedichten 1978-1996. Amsterdam: Querido, 1998, p. 58.
=

een geur van verbrande veren


Men komt thuis, het is maart, men ontsluit

het verwinterde huis, afzijn gebrek

hebben webben gestrikt, mee-eters verteerd, de uil

door de schoorsteen de dood in gedreven

de vloer vol hulpeloos dons, de boeken kalk

wit bescheten, de glazen aan gruizels

op het eeuwige bed een proper karkas

met machtige vleugels


wat heeft men gedaan vandaag?

takken geraapt, de kwijnende vlier beklaagd

vuur gestookt van afval -
=


Terhorst (2) Jellema
Wat ik jou liet zien: de jeneverbessen,
wat er over is van de hei, de paden
die ik ken hier, waar is. Want wat ik zie is
niet te bekijken.
Toegevoegd nu jij aan de beelden, dierbaar
beeld, gedacht ook vroeger in deze scène
reeds, al was niet jij het en niemand die ik
kende dan dromend.
Nam ik jou wel waar? Gaat het mij niet altijd
om herdenking? Zo de jeneverbessen,
zwijgend dicht bijeen, nu herinnerd zonder
jou pas ondenkbaar.
Waarom zwijgend? Vorm in zichzelf, gestalte,
zomer, winter, niets te verliezen zoals
bomen blad,-hun blijvend gelijk, gerede
vorm voor gedachten.
Komen in de schemer tot leven, lijken
sprekend dat wat ik in hen vrees, mijn eigen
angst van toen, van kind voor het raam, de wereld
duister daar buiten.
Ben jij zo ook? Enkel de vorm waarin ik
denk? Verander jij in de schemering straks
ook? Als ik, en weer voor een raam, de angsten
ken voor het vreemde -
Wie ben jij dan, wat had ik lief in jou toen
wij daar waren, ik jou liet zien de hei, maar
welke, paden, welke - want nooit zal ik het
zien met jouw ogen.

==

Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid
te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.
Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.

Uit: Gorter aan zee Faverey

=
Poëzie is kinderspel


over het krakende ei

dwaalt een hemelse bode

op zoek naar zijn antipode

en dat zijt gij


mogelijk dat men op zulk een kleine schaal

niet denken kan het maakt nijdig

of men is verveeld dus veel te veilig

dan is men verloren voor de poëzie


u rest slechts een troost

ligt gij op sterven

gij verveelt u dan ook niet


en plotseling kan dan pop en bal

laat herinnerd u laten weten

dit was ik en dat was het heelal
=

Lucebert
=
school der poëzie


Ik ben geen lieflijke dichter

Ik ben de schielijke oplichter

Der liefde, zie onder haar de haat

En daarop een kaaklende daad.



Lyriek is de moeder der politiek,

Ik ben niets dan omroeper van oproer

En mijn mystiek is het bedorven voer

Van leugen waarmee de deugd zich uitziekt.


Ik bericht, dat de dichters van fluweel

Schuw en humanistisch dood gaan.

Voortaan zal de hete ijzeren keel

Der ontroerde beulen muzikaal opengaan.


Nog ik, die in deze bundel woon

Als een rat in de val, snak naar het riool

Van revolutie en roep: rijmratten, hoon,

Hoon nog deze veel te schone poëzieschool.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
uit de Verzamelde Gedichten van Lucebert (1924-1994)
=
ik tracht op poëtische wijze
dat wil zeggen
eenvouds verlichte waters
de ruimte van het volledig leven
tot uitdrukking te brengen
ware ik geen mens geweest
gelijk aan menigte mensen
maar ware ik die ik was
de stenen of vloeibare engel
geboorte en ontbinding hadden mij niet aangeraakt
de weg van verlatenheid naar gemeenschap
de stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg
zou niet zo bevuild zijn
als dat nu te zien is aan mijn gedichten
die momentopnamen zijn van die weg
in deze tijd heeft wat men altijd noemde
schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
zij troost niet meer de mensen
zij troost de larven de reptielen de ratten
maar de mens verschrikt zij
en treft hem met het besef
een broodkruimel te zijn op de rok van het universum
niet meer alleen het kwade
de doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig
maar ook het goede
de omarming laat ons wanhopig aan de ruimte
morrelen
ik heb daarom de taal
in haar schoonheid opgezocht
hoorde daar dat zij niet meer menselijks had
dan de spraakgebreken van de schaduw
dan die van het oorverdovend zonlicht
=

Onder de appelboom

Ik kwam thuis, het was

een uur of acht en zeldzaam

zacht voor de tijd van het jaar,

de tuinbank stond klaar

onder de appelboom ik ging zitten en ik zat

te kijken hoe de buurman

in zijn tuin nog aan het spitten

was, de nacht kwam uit de aarde

een blauwer wordend licht hing

in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi

om waar te zijn, de dingen

van de dag verdwenen voor de geur

van hooi, er lag weer speelgoed

in het gras en verweg in het huis

lachten de kinderen in het bad

tot waar ik zat, tot

onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels

van ganzen in de hemel

hoorde ik hoe stil en leeg

het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij

zitten, om precies te zijn jij

was het die naast mij kwam

onder de appelboom, zeldzaam

zacht en dichtbij

voor onze leeftijd.


Rutger Kopland 
uit: Onder het vee,
Van Oorschot, Amsterdam 1966
==

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen